Press "Enter" to skip to content

Uit de geschiedenis van Schinveld «Valkenburgse Lenen te Schinveld»

Ton Theunissen 0

Deze bijdrage over de “Geschiedenis van Schinveld” is oorspronkelijk
geschreven als vervolgartikel nr. 202 tot en met 208 voor het
parochieblad van Schinveld, de “Eligiusbode” (1949-1957). Omdat
de opzet van dit blaadje in 1957 veranderde, is toen de publicatie
stopgezet. Wij vermelden dit omdat de inhoudsopgaaf van de complete
serie artikelen over de “Geschiedenis van Schinveld”, die zich
bevindt in het Stads-Archief van Maastricht, deze nummers reeds
noemt, evenals de nummers 209-211 over “Het Klooster van Schinveld”,
212-214 over het “Raadhuis van Schinveld” en 215-218 over
de “Scholen van Schinveld”. De genoemde artikelen zullen hopelijk
in de volgende afleveringen van “Het Land van Herle” verschijnen.
De belangrijkste bron voor deze bijdrage zijn de “Publications”.
Het voornaamste doel is de inwoners van Schinveld en andere belangstellenden
attent te maken op het bestaan van deze gegevens
überhaupt, maar de nadruk ligt toch op de correcties, verklaringen
en aanvullingen die er aan zijn toegevoegd en die bijzonder de belangstelling
zullen wekken van degenen die ter plaatse bekend zijn.

Om te kunnen verstaan wat er bedoeld wordt met “Valkenburgse
Lenen”, moeten wij eerst iets zeggen over het ontstaan van het
Leenstelsel. Oorspronkelijk waren alle eigendommen vrij. De Romeinen
en Germanen die ons land in bezit hebben gehad, kenden
wel het recht van eigendom, maar niet het Leenstelsel of feodaliteit.
Dit is eerst ontstaan in de verwarde tijden die volgden op de
regering van Karel de Grote (800), toen Europa aan een lange
regeringsloosheid was overgeleverd. Toen begonnen de Keizer en
de Rijksgroten, om hulp te krijgen in de nood, een gedeelte van
hun gebied weg te geven aan hun getrouwe onderdanen, niet in
volle eigendom, maar slechts als “geleend goed”. Zo ontstond de
verhouding van Leenheer tot Leenman, welke laatste dan aan de
Keizer of Rijksgroten een bepaalde som moest betalen en zich in
oorlogstijd met zijn personeel ter ‘beschikking van de Leenheer
moest stellen (“heergeweide”).
Vele andere vrije eigenaars van hoeven, ook die in het Land van

Valkenburg, waartoe Sohinveld behoorde, volgden dit :voorbeeld
na, omdat zij zich niet sterk genoeg voelden om hun e1g.en goe~
te bewaken of zich tegen een machtige na.buur te verd~d1gen . ZIJ
verklaarden zich vrijwillig tot Leenman, niet van de Ke1zer, maar
van een of andere machtige edelman uit de streek en dat was voor
onze streek de Graaf van Valkenburg, sedert de Heerlijkheid Valkenburg
in 1357 door Keizer Karel IV tot Graafschap was verheven.
Bij overlijden van de Leenman of bij verkoop van het Leengoed
moest de nieuwe Leenman telkens een b~paalde .som betalen
en zijn onderworpenheid aan de Leenheer betwgen. D1t wordt bedoeld,
als men zei dat het Leen “verheven” werd, welke term wij
herhaaldelijk moeten gebruiken in de volgende artikelen.
Sommige van die Lenen werden samengevoegd tot een “Heerlijkheid”.
Dat wil zeggen, dat de Heren van die Lenen bijzondere rechten
hadden, zoals jacht- en visrecht, recht van een watermolen,
recht om bomen langs de wegen te planten, muntrecht, tolrecht,
tiendrecht (belasting heffen). Het belangrijkste recht was dat waarbij
de Heer het recht had schout of drossard en schepenen te benoemen
(Schepenbank), een gevangenis en een galg op te richten
en boeten te innen.

De Heerlijkheid Brunssum en Schinveld werd opgericht in 1557.
Enige jaren na het ontstaan van het Graafschap Valkenburg in 1357,
begon men daar lijsten op te maken van de Lenen die tot Valkenburg
behoorden. Vandaar ook, dat we eerst van 1380 af, iets weten
over Schinveldse adellijke goederen, terwijl deze in werkelijkheid
reeds veel langer bestonden. De lijsten zijn echter niet volledig en
ze houden op omstreeks 1790, omdat door de Franse Revolutie het
Leenstelsel is afgeschaft.

In het Bestuur of de Staten van het Graafschap Valkenburg waren
slechts twee groepen vertegenwoordigd, de Ridderschap en de Schepenbanken.
Het getal der leden van de Ridderschap was niet vastgesteld.
Deel daarvan maakten uit, alle edelen die een kasteel of
” riddermatige hofstede” bezaten en die bovendien andere vaste
goederen bezaten met een minimumwaarde van f 6.000,-.
In 1661 (einde van de 80-jarige oorlog – Partagetractaat) waren er
slechts 6 edellieden, die de eed aflegden in de Staten van Valkenburg:
de Heer van Borgharen, Heer Vos van Brunssum, Baron van Hartelsteijn,
de Heer van Dammerscheydt (Voerendaal), de Heer van
Till te Heerlen en Heer Caspar van Berck te Schinveld.
Wij laten thans de lange lijst volgen van de Valkenburgse Lenen
en hun “verheffingen”. Hier en daar geven wij wat bijzonderheden,
die de eentonigheid wat kunnen breken. De voornaamste bedoeling
van al die namen is om te laten zien welke adellijke heren in de
loop der tijden te Schinveld hebben gewoond of er althans grote
eigendommen hebben gehad. Ook het Kasteel Lammendam ontbreekt
niet. Vele namen van edellieden te Schinveld of omgeving

zijn ook een bewijs dat de Geschiedenis van Schinveld van het
begin af ten zeerste verbonden is met die van het Land van Heinsberg.
Want als wij namen ontmoeten als Heer van Brempt, van Randerath,
Leijffart van Linnich, van Lieck, Van Breil en Huis ter
Hallen, dan zijn dat ook tegenwoordig nog namen van dorpen in
de buurt van Heinsberg, terwijl het “Haus Hall” nog bestaat in
Ratheim.

I. Het Huis Heijenhoven.

Dit leengoed, meestal het “Schinvelder Huis” genoemd, omvatte
22 ½ bunder en was met een “tiende” ‘(belasting) daartoe behorende,
een “Groot Leen” van het Huis van Valkenburg. “Groot Leen”
noemde men die, welke inhielden het volle “hergeweide” of verplichting
tot soldatendienst bij den “Heer” in tijd van oorlog.
Meestal kon men dit afkopen met 15 goudgulden aan de leenheer,
5 gulden 8 stuivers Brabants aan de stadhouder, 9 gulden aan de
griffier en de leenmannen en een halve pattacon voor het opmaken
der akte. Onder “Klein Leen” verstond men die, waarvoor men
slechts een gedeelte van genoemd bedrag hoefde te betalen bij de
“verheffing”.

Oorspronkelijk d.w.z. toen men de Lenen ging omschrijven, was
het Schinvelder Huis in bezit van de adellijke familie van Heijenhoven,
waaruit het voor een tijd overging in die van Boisdorf. Edmond
van Heijenhoven bezat het in de 14e eeuw en stierf voor 1385.

Het oorspronkelijke kasteel is waarschijnlijk nog veel ouder.

Het werd “verheven”:
1385 door Willem van Boisdorf.
1430 door Peter van Heijenhoven en na zijn dood door zijn broer
Dederik van Heijenhoven. Getuige is dan in sept. 1443 Arnold van
Chevel, stadhouder. Uit het volgend jaartal blijkt, dat de lijst niet
volledig is.
1537 door Dirk van Heijenhoven en na diens dood door Scheifan
van Merode. De naam Heijenhoven verdwijnt dan uit Schinveld, omdat
Dirk van Heijenhoven slechts een dochter had, Eva van
Heijenhoven, welke huwde met Ridder W erner de Merode, burgemeester
van Düren.
1540 door Jankheer Willem van Merode. Dit is een zoon van Eva
van Heijenhoven. Hij stierf zonder erfgenamen.
1640 de 17e juli, door Jonkheer Theodorus van der Heijden, genaamd
Belderbusch. Hij had het Schinvelder Huis gekocht, toen
de goederen van de bewoners onzer streek verbeurd werden verklaard,
waarschijnlijk door Frederik Hendrik met zijn Hpllandse
troepen. Wij zijn dan nl. in de 80-jarige oorlog en onze streek behoorde
tot Spanje. De verbeurdverklaring geschiedde uit repressaille,
zodat we kunnen aannemen, dat de bewoners dezer streek de
Hollandse troepen op een of andere wijze een hinderlaag hadden
gelegd.

1644 de 9e april, door Peter van Hedel uit naam van Jonkheer
Johan van Engelhert van Ellerborn.
Als de Spanjaarden de Hollanders weer verdreven hebben en de
vrede van Munster gesloten is in 1648, komen de rechtmatige erfgenamen
weer aan bod.
Er gaat nu weer een nieuwe familie heersen op Huis Heije~hoven
of Schinvelder Huis, doordat de wettige erfgename Cathanna de
Merode huwt met een baron van Berk, welke familie reeds Heer
Ter Hallen was. Daarom krijgen we de volgende “verheffingen”:
1664 door Caspar van Berk.
1669 door Anna Elisabeth van Berk, zijn dochter. Deze is vier maal
gehuwd geweest. Het derde huwelijk sloot zij met Baron Willem
Godfried van Bronsfelt, waardoor deze familie Heer werd op Huis
Heijenhoven. Ook de familie van Bronsfelt komt van Huis Ter
Hallen. (Zie ook Gesch. van Schinveld no 104 tot 111). Heijenhoven
wordt dan verheven:
1692 door Johan Adolf van Bronsfelt. De familie van Bronsfelt
verarmt echter weldra zodanig, dat ze genoodzaakt is het kasteel
Heijenhoven te verkopen. Het wordt gekocht en verheven:
1731 door Leopold Duijckers, drossard van het Graafschap Amstenrade,
wonende in het Raath (Bingelrade).
1734 door de schepen Severin Frijns in naam van Anna Elisabeth
Duijckers, zuster van Leopold Duijckers. De familie Duijckers heeft
waarschijnlijk niet gewoond op Huis Heijenhoven. Daar was alleen
nog een pachter sedert deze tijd.
1755 door de pachter Frans Nuchelmans in naam van de gezusters
Duijckers te Aken. Zij waren te Aken gaan wonen bij een nicht
Agnes van Thienen, nadat het kasteel in,het Raath door de Bokkerijders
in 1751 in brand was gestoken. Deze nicht wordt dan ook
erfgename.
1793 door notaris Robroeck in naam van Maria Agnes van Thienen
te Aken. Toen kwam de Franse Revolutie ook hier, die een einde
maakte aan het Leenstelsel met zijn “verheffingen”. Vanaf die tijd
geldt onze tegenwoordige wijze van erven en kopen.
Omstreeks 1805 huwt Agnes van Thienen met Frans Willem Pelser,
die het leengoed overdeed aan een zekere Heijenrath uit Hulst bij
Crefeld en deze verkoopt Huis Heijenhoven in 1848 aan Michaël
Beckers, die in 1870 burgemeester van Schinveld wordt. De familie
Beckers is tot heden toe eigenaar gebleven.

II. Daem Heijnenleen.

Dit leengoed werd oorspronkelijk verheven als “Groot Leen” van
Valkenburg door Wisken van Geverik en daarna:
1331 door Willem van de Wijer van Merkelbeek. Ook deze lijst is
onvolledig en bovendien moet opgemerkt worden, dat niet tot ieder
leengoed een kasteel of hoeve behoorde. Nadat het leengoed in bezit
geweest is van Dirk Vril wordt het verheven:

1551 door Hendrik Daemen en vervolgens door Hendrik Severens.
Vermoedelijk is de naam van het leen “Daem Heijnenleen” een vergissing
en had het moeten heten naar genoemde Hendrik Daemen
“Hein Daemenleen”. Dit is des te waarschijnlijker, omdat dezelfde
Hendrik Daemen in 1551 nog een ander leen te Schinveld in zijr:.
bezit heeft, dat de juiste naam draagt en waarover wij later zullen
spreken. Dan volgt:
1608 door Dirk Nelis van Schinveld.
1618 door Arnold Herle.
1623 door Gilis Vijgen.
1665 door Jacob Stuijrmans.
1717 door Peter Beesten.

Amstenrade. J. H. W. BOSCH.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *